Om deze complexe transitie te maken, moeten echter nog heel wat voorwaarden worden ingevuld, zowel door de overheid, de bedrijfswereld, de afvalverwerkers als de burger. Onze sectorexperten bespreken hoe Vlaanderen kan profiteren van een circulaire economie.

Welke winsten kunnen we halen dankzij een circulaire economie?

Rudy Meeus: “Vanuit milieuoogpunt is de winst vanzelfsprekend: minder afval. We streven zo veel mogelijk naar zero waste tegen 2050. De maatschappelijke en economische kosten voor het afvalbeheer zullen hierdoor dalen, omdat er simpelweg minder afval zal zijn. Bovendien zullen we dankzij een circulaire economie minder grondstoffen, energie en materialen verspillen. Ook dat levert economische en ecologische winsten op.”

Dries De Pauw: “In het plan ‘Vlaanderen 2020’ wordt voorzien dat drie procent van ons BBP met de circulaire economie zal worden gerealiseerd, wat in Vlaanderen alleen al 27.000 nieuwe jobs zou opleveren. Gezien de korte termijn, moet onze regering hier dus zeker aandacht voor hebben en het ook stimuleren.”

Christof Delatter: “Er zijn enerzijds geweldige milieuwinsten te rapen. Anderzijds zullen we, door kringlopen op lokaal niveau te sluiten en onszelf zo minder grondstoffenafhankelijk te maken, onze economie zelfredzamer, stabieler en sterker maken in de geglobaliseerde economie. De lokale economische groei die hieruit zal voortkomen, wordt sterk onderschat.”

Ton van der Giessen: “Er is in zijn geheel een noodzaak om de stap naar een circulaire economie te zetten. Door de sterk groeiende wereldbevolking en de stijgende welvaart zullen we op een andere manier met onze brandstoffen en fossiele grondstoffen om moeten gaan om ervan te kunnen blijven profiteren.”

Dries De Pauw: “Het gaat inderdaad niet enkel over winsten, maar ook over het nemen van verantwoordelijkheid. We moeten denken aan de volgende generaties, zodat ook zij kunnen genieten van de welvaart die we vandaag kennen.”

Kunnen jullie deze winsten aantonen met een concreet voorbeeld?

Dirk Gesquiere: “Stel, de burger koopt bij ons een grasdal voor zijn oprit of plantjes bij een tuincentrum. Na jaren brengt hij het afval (bijvoorbeeld de uitgebroken grasdals, enkele bloempotjes, een stuk gebroken PVC-buis en andere harde kunststoffen) naar het containerpark van zijn gemeente, dat beheerd wordt door de leden van VVSG (Interafval). De ingezamelde afvalstoffen worden afgevoerd en bij Kunststofrecycling Van Werven manueel en mechanisch gesorteerd en verwerkt tot diverse nieuwe hoogstaande grondstoffen.”

Caroline Van der Perre: “De uitgebroken grasdals worden terug kunststofkorrels, de bloempotjes worden een ander soort kunststofkorrels (maalgoed) en stukken PVC-buis worden poeder. Zo krijgen we zo’n 40 nieuwe hoogwaardige grondstofsoorten die keer op keer terug kunnen worden ingezet bij de aanmaak van nieuwe producten.”

“Wij zullen vervolgens diverse grondstofsoorten op specificatie brengen voor de aanmaak van nieuwe producten, zoals bloempotjes en grasdals gefabriceerd door Stockplatics (STP). Het PVC poeder dat Kunststof Recycling van Werven produceert, kan rechtstreeks worden ingezet om hiervan 100 % nieuwe PVC-buizen te produceren.”

Dries De Pauw: “Bovenstaande voorbeelden beschrijven de zogenaamde technische cirkel. Maar bijvoorbeeld tuinafval kan evenzeer teruggewonnen worden als compost door bedrijven zoals Van Gansewinkel. Dit is dan de tweede belangrijke component in de circulaire economie, de biologische cirkel.”

Waar staat België vandaag op het vlak van een duurzaam materialenbeleid?

Rudy Meeus: “In heel België is er een politieke consensus dat we moeten inzetten op een duurzaam materialenbeleid in het kader van een circulaire economie. Dit zal zich ongetwijfeld vertalen in instrumenten om de circulaire economie ook daadwerkelijk te realiseren. We zijn alvast erg goed in afvalinzameling, maar de rest van de keten blijft nog wat achter. Daarom moeten we als overheid nog meer werken op de afzet van gerecycleerde producten.”

Dirk Gesquiere: “Ik ben ervan overtuigd dat er bij de overheid inderdaad veel goede wil en visie is, maar in de realiteit moet er nog heel wat gebeuren. Zo is er voor de modale burger bijvoorbeeld nog veel onduidelijkheid over wat wel of niet in de PMD-zak mag. Hiervoor is er nood aan praktische informatie.”

Peter Brughmans: “Er is inderdaad een kader gecreëerd door het beleid, maar een circulaire economie komt vooral ook neer op samenwerken over de grenzen heen. De eerste kleine stappen worden al gezet, maar het komt erop aan om iedereen mee te krijgen. Niet alle bedrijven zijn er nu eenmaal even vertrouwd mee.”

“Wél staan we al verder dan veel andere landen voor wat betreft het inzamelen van gesorteerde fracties. Er wordt op dit vlak zelfs vanuit het buitenland met volle interesse naar ons gekeken. We zamelen in Vlaanderen jaarlijks zo’n 3,5 kilo harde kunststoffen per inwoner in. In Nederland is dat gemiddeld 1,8 kilo en in andere landen nog minder.”

Christof Delatter: “Op bepaalde vlakken staan we in Vlaanderen inderdaad zeer ver, en zeker op het vlak van de selectieve inzameling bij de gezinnen. Maar liefst 72 procent van hun afval wordt selectief ingezameld. We moeten echter niet enkel kijken naar het einde van de keten. Er is nog een enorm gebrek aan inzet door de bedrijfswereld voor wat betreft het circulair ontwerpen van producten.”

“Er wordt qua productdesign nauwelijks nagedacht over de circulariteit van die producten. Hierdoor hollen we als afvalverwerkende sector altijd achteraan. Zolang het ontwerp van producten niet gekoppeld wordt aan de verwerking en het hergebruik, kunnen we niet spreken van een circulaire economie.”

Waarom mogen bepaalde items niet in de PMD-zak?

Christof Delatter: “Dat is eerder een kwestie van geld. In principe zijn de meeste kunststofitems perfect recycleerbaar, maar vandaag mikt men met de PMD-zak uitsluitend op financieel interessante fracties. De kosten worden immers gedragen door de producenten en zij halen met de huidige regeling de aan hen opgelegde wettelijke doelstellingen.”

“Indien we alle kunststofverpakkingen zouden toelaten in de PMD-zak, zou dit per jaar een impact van 50 tot 60 miljoen euro hebben op Fost Plus. De opbrengst van die materialen is immers lager. De producenten willen dat niet betalen en de overheid is niet bij machte om dat af te dwingen.”

Ton van der Giessen: “In Nederland mogen burgers alle plastics in één zak doen, maar dat kost wel 800 euro per ton. Er zijn dus subsidies nodig om zo’n systeem rendabel te houden.”

Dries De Pauw: “Bepaalde kosten zijn nog steeds verborgen en de producentenverantwoordelijkheid wordt onvoldoende aangesproken. De wetgever kan op dit vlak nog een belangrijke stap zetten zodat werkelijk alle ecologische kosten aan het einde van de keten gewaarborgd worden. Ook de ecologische kost van een transport van en naar andere landen moet worden meegerekend. Op deze manier zullen lokale kringlopen betere kansen krijgen.”

Welke stappen kan de overheid nog verder zetten naar een circulaire economie?

Christof Delatter: “Indien men zou kunnen stoppen met primaire grondstoffen te subsidiëren, zouden we al heel wat verder staan. Vandaag worden bepaalde primaire grondstoffen nog steeds gesubsidieerd ten opzichte van perfect beschikbare secundaire grondstoffen. Zo wordt bijvoorbeeld het recyclaat van bouw- en sloopafval benadeeld tegenover grind dat moet worden ontgonnen uit de grond.”

Rudy Meeus: “Dat is inderdaad één van de uitdagingen. De wegenbouwers die in opdracht van de overheid werken uitvoeren, houden zich aan standaardbestekken die onder meer door mijn collega’s van openbare werken worden opgesteld. We proberen al meer dan 20 jaar om gerecycleerde granulaten uit slooppuin vooraan in die bestekken te krijgen, maar dat blijft een moeilijk proces.

Dries De Pauw: “Een groen aankoopbeleid van de overheid zou een belangrijke stimulans kunnen zijn voor de circulaire economie. Men moet minder kijken naar de prijs, en meer naar de kwaliteit en de duurzaamheid. Een Europees ‘circulair economielabel’ dat volgens een strikt kader duidelijk aangeeft welke producten circulair zijn, zou alvast helpen.”

Rudy Meeus: “Uiteindelijk komt het toch neer op geld. De overheid kan op dat vlak met de juiste fiscale maatregelen een belangrijke rol spelen. OVAM zet heffingen in op storten en verbranden, en we merken dat dit zeer krachtige instrumenten zijn om recyclage te bevorderen. Fiscaal zijn er echter nog veel meer stimulansen mogelijk, denk maar aan een lagere btw op gerecycleerde producten of lagere arbeidskosten in de afvalverwerkende bedrijven.

Ton van der Giessen: “Onze huidige Europese wetten en regels gaan vaak nog tegen de circulaire gedachte in. Niet enkel op Vlaams of Belgisch, maar dus ook op Europees niveau moeten er nog stappen worden gezet ter bevordering van de circulaire economie, in plaats van ze af te remmen.”

Wat is er vanuit de industrie nodig om tot een ware circulaire economie te komen?

Dries De Pauw: “Er zijn nog enorme kansen om het restafval van bedrijven beter te sorteren. Met onze recente investeringen in sorteerlijnen kunnen we meer dan een derde van onze hoeveelheid uitsorteren. Dat is echter minder dan 10% van de totale markt. We spreken dan zelfs nog niet noodzakelijk over circulariteit, maar simpelweg over het halen van grondstoffen uit afval.”

Christof Delatter: “Als we uit de huidige reststromen nog zaken kunnen recupereren, moeten we daar zeker in investeren. Anderzijds hebben we de afgelopen 20 jaar bij de gezinnen alvast bewezen dat de beste sortering gebeurt bij de gebruiker zelf. Als we dit achteraf nog industrieel moeten doen, zit er altijd een zeker verlies op. We moeten maximaal inzetten op sorteren aan de bron.”

Peter Brughmans: “We kunnen voor wat dat betreft enkel maar lof hebben voor de burger omdat die zo goed sorteert. Toch moeten burgers nog meer hun verantwoordelijkheid nemen voor wat betreft het zuiver deponeren van items in de PMD-zak. Vaak zitten er nog etensresten in, en dat bemoeilijkt de recyclage. Het zou voor de burgers een evidentie moeten zijn dat men producten op het einde van de keten zuiver aflevert.”

“Aan de bron scheiden, ook en vooral bij bedrijven, zou een enorme winst opleveren. Maar actueel blijft ook na-scheiden uit het restafval bij afvalsorteerbedrijven een grote toegevoegde waarde. Er zitten nog enorm veel waardevolle grondstoffen die perfect hoogwaardig kunnen gerecycleerd worden in het restafval. Het ene sluit het andere niet uit.”

Dirk Gesquiere: “Waarom kunnen we de vele verschillende soorten kunststof niet beperken in aantal? En waarom moeten er na de sortering van de kunststoffen nog nabewerkingen gebeuren die energie kosten en het product laten degraderen? Is het niet mogelijk om dat wat meer te standaardiseren? We kunnen sommige soorten misschien perfect vervangen door andere.”

Peter Brughmans: “Iedere sector heeft zijn eigenheid en manier van samenstellen. Particulier kunststofafval is heel anders van samenstelling dan het kunststof uit elektronica, wagens of kortetermijngebruiksvoorwerpen. Mits we die verschillende soorten goed classificeren, kunnen we bij gebruikte materialen nu al ver gaan in de sortering en verwerking om nieuwe grondstoffen te maken. We moeten productdesign dus vrij laten, maar bedrijven dienen bij het ontwerp dan wel hun verantwoordelijkheid te nemen en zekerheid te geven dat hun materialen bij einde levensloop terug kunnen worden hergebruikt.”

Christof Delatter: “Standaardisatie is zeker geen uitweg. Maar is het nu echt te veel gevraagd dat wanneer men iets op de markt brengt, men ook zorgt dat het gerecycleerd kan worden en omgezet in een nieuwe grondstof? We hebben een verantwoordelijkheid ten opzichte van de generaties die na ons komen. Als consument vind ik het niet meer dan normaal dat wanneer ik iets koop, ik er ook financieel voor insta dat het probleem van mijn consumptiegedrag wordt opgelost.”

Caroline Van der Perre: “Dit zou willen zeggen dat de kostprijs van de producten omhoog gaat. Niet alle consumenten zijn bereid om hiervoor te betalen.”

Peter Brughmans: “Je zou op andere manieren wel winst kunnen maken. We hebben wereldwijd een gigantisch probleem qua CO2-emissies. Waarom zouden we de CO2 die we kunnen recupereren uit een circulaire economie niet op een of andere manier gebruiken als valorisatie ten opzichte van de CO2-certificaten? We kunnen een bijkomende winst genereren met de circulaire economie door dit als een soort van ruilcertificaat te gebruiken voor CO2-emissies die we dan kunnen kopen.

“Wie kunststof recycleert, zorgt ervoor dat er minder petroleum moet worden geproduceerd. De winst zit dus aan het begin van de keten. Een CO2-ruilcertificaat zou het mogelijk maken dat ook de recycleerders aan het einde van de keten beloond worden en zou de circulaire economie zo ondersteunen.”

Dries De Pauw: “Het interessante hieraan is dat het vrij gemakkelijk meetbaar is. We hebben hiervoor een online tool ontwikkeld, het ‘afval prestatie profiel’, dat bedrijven benchmarkt per industrie op hoeveelheid en scheiding van afval, en hieraan gekoppeld ook de CO2-besparing. Indien we daar incentives en belastingen aan koppelen, kunnen we de bedrijfswereld in de juiste richting duwen en hen motiveren om de lat hoger te leggen.”

Dirk Gesquiere: “Het lijkt me moeilijk om de kostprijs van een product te laten stijgen. De mensen die het al financieel moeilijk hebben, willen of kunnen vaak niet meer betalen voor een ecologisch product.”

Peter Brughmans: “Zoals het vandaag is, betalen ze op de lange termijn gewoon meer belastingen voor de verwerking van het afval, dus de balans blijft hetzelfde. Het gaat erover welke waarde we aan iets geven. We zijn al te vaak op volume (kwantiteit) georiënteerd en denken dat iets waar je veel van kan kopen goedkoper is. Iets wat duurder is in eenheidsprijs kan, met meer kwaliteit en deugd maar minder volume, goedkoper zijn.”

Caroline Van der Perre: “De aankoopprijs speelt een enorme rol, zowel bij burgers als bij bedrijven. Nu recent de grondstofprijzen sterk daalden, twijfelden sommige van onze klanten zelfs om terug over te schakelen op primaire grondstoffen, omdat de prijzen daarvan zeer dicht in de buurt kwamen van onze gerecycleerde granulaten. We mogen het belang van de prijs dus niet onderschatten.”

Peter Brughmans: “België zal sowieso moeten betalen voor zijn CO2-emissies. Als deze kost kan worden verruild met de CO2-emissiewinsten die gerealiseerd worden tijdens de circulaire economie, creëren we een win-winsituatie en kost het ons finaal niet meer, misschien zelfs minder. Het is dus wel degelijk een toegevoegde waarde en zorgt ervoor dat de circulaire economie goedkoper wordt en zich onderscheidt van de lineaire economie.”

Caroline Van der Perre: “We merken dat onze grote klanten bij het maken van hun producten zeker wel nadenken over het milieuaspect. Zij voorzien daarvoor ook in een marge. Bij de kleinere spelers is eerder de prijs doorslaggevend, net zoals voor veel burgers.”

Ton van der Giessen: “CO2 is het grootste probleem waarmee we vandaag als mensheid te maken hebben. We moeten uiteraard rekening houden met de grondstoffenschaarste, maar als we evenveel CO2 blijven uitstoten als de voorbije decennia zullen we daar veel eerder aan ten onder gaan dan dat de grondstoffen uitgeput zijn. Toch is de circulaire economie ook op dat gebied erg belangrijk. Door circulariteit kunnen we immers sterk besparen qua CO2-emissies.”

Dries De Pauw: “Het is in dat kader trouwens niet logisch dat we nu afval verbranden om energie op te wekken. Wat men vroeger in de grond heeft gestoken, graaft men nu weer op en spuit men in de vorm van CO2 de lucht in. Maar onze technologie om afvalstoffen te recycleren en hergebruiken wordt alsmaar beter. Het lijkt me dus niet verstandig om oud afval te verbranden om éénmalig energie op te wekken, terwijl het in de toekomst mogelijk nog gerecycleerd kan worden.”

Christof Delatter: “Er is vandaag inderdaad nog een sterke klemtoon op energie voor wat betreft landfill mining. Veel materialen kunnen er voorlopig immers nog niet uit worden gerecupereerd. Iedere molecule die je echter redt en terug kan injecteren in de eigen economie is een uitgespaarde hoeveelheid CO2. Energie recupereren, kan je daarentegen maar één keer doen.”

“Vanuit de Vlaamse gemeentebesturen pleiten we daarom al jaren voor een afstemming van de afvalverbrandingscapaciteit op het aanbod aan niet recycleerbaar afval. Helaas wordt er zowel op Europees als op Belgisch niveau ook sterk gelobbyd voor het omgekeerde: een volledige vrijheid om dit soort installaties naar eigen goeddunken bij te bouwen. Op die manier hypothekeert men een gezond materialenbeleid en een circulaire economie.”

Dirk Gesquiere: “We kunnen ook dichterbij kijken om energie en warmte op te wekken: na interne evaluaties merkten we dat we in ons bedrijf veel warmte buitengooien via onze koelinstallatie. Door deze in de winter binnen te plaatsen, hoeven we geen stookolie te kopen. Zelfs de buren van het bedrijf kunnen eventueel mee genieten van de restwarmte.”

Peter Brughmans: “Daar geef je inderdaad een belangrijk aspect aan van de circulaire economie: samenwerking. We moeten nog meer elkaars toegevoegde waarde erkennen en benutten. Door samen te werken, kunnen we elkaar versterken en optimalisaties bekomen. Het levert economische én ecologische winsten op. In vergelijking met enkele decennia geleden is er reeds een enorme verandering qua visie, zowel bij bedrijven als bij burgers.”

Hoe kunnen we een duurzame en eerlijke samenwerking verzekeren in de circulaire economie?

Peter Brughmans: “Deze vraag geeft aan dat we de transitie maken naar een nieuw tijdperk. Binnen enkele jaren zullen we niet meer spreken van een afvalsector, maar van een materialenbeheersector. We spreken dan ook niet meer noodzakelijk van concurrentie, maar van complementariteit. Dat klinkt utopisch, maar we moeten elkaar toch vinden en ons bewust zijn van de eigen toegevoegde waarde voor de anderen in de circulaire economie.”

Ton van der Giessen: “In het inzameltraject komen we elkaar tegen als concurrenten, maar bij het recycleren ontstaan er wel steeds meer specialisaties. Geen enkel bedrijf kan alles doen.”

Christof Delatter: “Er is zeker nog een marge voor meer samenwerking tussen de afvalsector en de bedrijven die nieuwe gebruiksgoederen op de markt brengen. Zo kan men al bij het ontwerp van het product nadenken over hoe de gebruikte grondstoffen op het einde van de keten weer makkelijk kunnen worden gerecupereerd. Productdesigners zouden bij wijze van spreken eerst enkele maanden stage moeten lopen in een afvalbedrijf vooraleer ze daadwerkelijk producten mogen ontwerpen.”

Dries De Pauw: “De overheid zou zulk ecodesign moeten verplichten voor ieder nieuw product dat op de markt komt. Wij kunnen als sector alvast expertise leveren en partijen samenbrengen via platformen. Men moet immers verder leren kijken dan zijn eigen sector om de juiste partnerships te vinden. Big data kan helpen om zulke symbioses tot stand te brengen.”

Rudy Meeus: “De overheid kan ook daar zeker en vast een rol in spelen. We zamelen al meer dan 30 jaar data in over bedrijfsafval in Vlaanderen, en zouden die data kunnen koppelen aan markten. Op die manier kunnen we meer partijen gaan ‘matchen’. We werken al enkele jaren mee aan het symbioseplatform, dat bedrijven die reststromen willen uitwisselen met elkaar in contact brengt. Maar er is nog meer mogelijk. We kunnen zelf actief op zoek gaan naar dergelijke kansen in plaats van de bal in het kamp van de bedrijven te leggen.