“De landbouwcommissie is een van de belangrijkste commissies binnen het Europees Parlement, omdat het over bijna 40% van het volledige Europese budget beslist. Het komende halfjaar werken we in de commissie aan regelgeving die herdefinieert wat we met dat geld gaan doen. Ik heb een groot hart voor jonge boeren, omdat zij de toekomst zijn van onze landbouw. Tegelijk moeten we de keuze maken of we ons voedsel in Europa willen produceren, dan wel invoeren uit het buitenland. Voedselzekerheid is óók geopolitiek. En daarnaast zijn thema’s als mestverwerking, voedselverspilling, enz. belangrijk.”

 

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen in de sector vandaag?
 

“De uitdagingen zijn drieledig. Allereerst is er de economische leefbaarheid van de sector. Als de boer zijn rekening niet meer kan maken, zal er vroeg of laat geen landbouw meer zijn. De vernieuwing of verjonging binnen de landbouwsector is ronduit dramatisch: slechts 6%van de bedrijfsleiders is jonger dan 35 jaar en maar liefst 31% ouder dan 65 jaar. Die 6% is lang niet genoeg om verder te kunnen. Hoe het komt dat er zo weinig mensen in het vak stappen? Omdat het een economisch erg onzekere sector is. De marktpositie van de boer is zwak, want hij is de dupe van de prijzenslag onder retailers. Een boer maakt bovendien een bederfelijk product, dat voor de vuilnisbak is als het niet verkocht geraakt. De prijsschommelingen in de markt zijn ook toegenomen - voeding is een wereldproduct geworden, waarmee volop wordt gespeculeerd. En een boer is natuurlijk afhankelijk van externe factoren als weersomstandigheden.”

 

Dat is slechts een eerste luik. Waar liggen dan de overige uitdagingen?
 

Slechts 6% van de bedrijfsleiders is jonger dan 35 jaar. Dat komt vooral omdat het een economisch erg onzekere sector is.

“Naast economisch zijn de uitdagingen ook ecologisch van aard. De wereld vraagt meer duurzaamheid. Lineaire processen zullen kringloopprocessen moeten worden om rond te komen met de beschikbare grondstoffen. De stijging van het bevolkingsaantal betekent ook dat we meer moeten produceren, terwijl we wel minder moeten vervuilen. We kunnen niet meer blijven produceren zoals we dat 60 jaar geleden deden.”

“En dan is er nog het sociale aspect. De zelfmoordcijfers onder boeren zijn opmerkelijk hoger dan gemiddeld in de bevolking. De druk op hun schouders, gekoppeld aan een cultuur van trotsheid en zwijgzaamheid, zorgt ervoor dat problemen niet uitgesproken worden en dat het lijkt alsof er geen uitweg is. Het uitzicht van de sector en het welbevinden zijn niet goed.”

 

Is meer lokaal produceren een oplossing?
 

“Het is zeker een deel van het verhaal, want het zou op alle uitdagingen die ik formuleerde een antwoord kunnen bieden. Hetzelfde geldt trouwens voor biolandbouw: de prijzen zijn beter omdat mensen er meer voor willen betalen, de keten is korter wat voor minder uitstoot zorgt, enz. Maar we moeten niet zo naïef zijn om te denken dat we er alles mee kunnen oplossen. Van lokale productie kunnen we niet met z’n allen leven en het is ook niet voor elke boer een optie. Een boer die afgelegen gesitueerd is, ergens diep in de Westhoek bijvoorbeeld, kan niet zomaar rechtstreeks klantencontact - bijvoorbeeld via een hoevewinkel - opstarten.”
 


 

Waar liggen dan wel de echte oplossingen?
 

“Op bedrijfsniveau moeten we de kleine boeren meer waar geven voor hun geld. Boeren krijgen een subsidie per hectare land dat ze bezitten: 80% van de subsidies gaat op dit moment naar de 20% grootste boeren. In het nieuwe landbouwbeleid willen we kleine, actieve boeren extra steun geven. Kleine boeren moeten ook toegang krijgen tot betaalbare landbouwgrond: die grond is vandaag gigantisch duur, omdat oudere boeren ze net door die subsidieregeling niet willen verkopen. Op mesoniveau moeten we ervoor zorgen dat de boer een eerlijke prijs krijgt voor zijn product, door eerlijkere handelspraktijken in te voeren - bij supermarkten bijvoorbeeld. Ook moeten crisissen beter worden bedwongen. Als er bijvoorbeeld een zuiveloverschot is, zou de wetgeving vrijwillige reductie kunnen aanmoedigen door een boer te betalen als hij minder produceert. En op macroniveau moet de risicobeheersing beter: boeren verzekeren zich nog te weinig tegen ongevallen en tegenslag.”

We willen allemaal dat de boer het goed heeft, tot we in de supermarkt staan.

“Op ecologisch vlak moeten we naar een circulair systeem. We willen een halvering van de voedselverspilling tegen 2030. Zo zouden we reststromen in Europa nog veel meer kunnen inzetten voor energiewinning of eenvoudigweg om dieren op te kweken. Sociaal gezien moeten we jonge boeren zo gericht mogelijk extra steun bieden: een duw in de rug bij de opstart van hun bedrijf, stimuleren van opleiding en ondernemerschap, enz.”

 

Zijn boeren zelf mee met het duurzaamheidsverhaal?
 

“We moeten een brug slaan tussen landbouw en groenbeheer, traditioneel gezien nogal tegengestelde sectoren. De groene agenda en de agenda van de boer moeten complementair zijn. Een gps-gestuurde tractor die heel precies met mest en water omspringt, is volgens mij even groen als het beheer van een stukje bos vlak naast het landbouwareaal. Het is aan de nieuwe generatie om de oogkleppen uit te doen en de twee in elkaar te laten overvloeien. Maar vergis je niet: boeren willen echt mee in dat duurzame verhaal.”

“Het zal zaak zijn om ook de consument en vooral de retailers mee te krijgen. We willen allemaal dat de boer het goed heeft, tot we in de supermarkt staan. We gaan overstag voor aardbeien aan 50 cent of voor acties als 2 kipfilets kopen, 1 gratis. Dat is begrijpelijk, maar we moeten wel weten dat de boer daar de dupe van is. Realistische winkelprijzen zijn dus echt wel een must.”