Deze doelstelling is van toepassing op alle primaire energie die in België wordt verbruikt, met uitzondering van het brandstofverbruik in de luchtvaart. Wetenschappelijk onderzoek ging de haalbaarheid ervan na.

Via een diepgaand onderzoek brachten de vier Belgische ministers bevoegd voor energie (1 op federaal vlak, 3 op regionaal niveau) samen met  drie wetenschappelijke partners (Federaal Planbureau, Institut de Conseil d’Etudes en Dévelopment Durable en Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) in 2011 de impact van de HEB-doelstelling in kaart.

De evaluatie van de financiële weerslag hiervan gebeurde aan de hand van een referentiescenario. Daarnaast werden verschillende HEB-trajecten geanalyseerd. Per traject werd de socio-economische impact nagegaan en werden mogelijke beleidsmaatregelen voorgesteld. Niettemin worden de belangrijkste veranderingen op het vlak van hernieuwbare energiebronnen pas verwacht tussen 2030 en 2050.

Grootschalige elektrificatie

Ondanks deze verwachting, zal de elektriciteitssector reeds vroeger volledig hernieuwbaar moeten zijn. De achterliggende reden hierbij is dat vroege investeringen in HEB-technologie de goedkoopste oplossing blijkt om de HEB-doelstelling te bereiken. Een 100% hernieuwbaar energiesysteem vereist immers een verdubbeling of een verdrievoudiging van de huidige elektriciteitsproductie, waardoor de elektriciteitssector tegen 2030 volledig hernieuwbaar zou moeten zijn.

Primaire energieaanvraag

Ieder mogelijk traject dat in het onderzoek geanalyseerd werd, blijkt een verminderde primaire energieaanvraag teweeg te brengen. De meeste hernieuwbare energiebronnen hanteren een omzettingsrendement van 100%, waardoor de totale verbruikte hoeveelheid primaire energie lager zal liggen. Bovendien vereist de transformatie naar 100% hernieuwbare energie aanpassingen op het vlak van energie-efficiëntie en energiebesparingen, waardoor de hoeveelheid verbruikte energie eveneens zal dalen. Het onderzoek toonde aan dat via bepaalde trajecten tot 31% minder energie verbruikt kon worden.

Dankzij deze daling zullen er ook aanzienlijk minder fossiele brandstoffen moeten worden aangekocht in het buitenland, waardoor de Belgische buitenlandse brandstoffactuur aanzienlijk lager zal zijn. Het aandeel ingevoerde energie kan via bepaalde trajecten teruggedrongen worden tot 15%.

Kostenplaatje

De transformatie naar hernieuwbare energiebronnen blijkt een zeer gunstig effect te hebben op de werkgelegenheid in België. Het onderzoek gaf aan dat deze evolutie tegen 2030 20.000 tot 60.000 extra voltijdse banen zou creëren. Afgezien van deze voordelen, gaat de overschakeling naar hernieuwbare energiebronnen gepaard met een aanzienlijk kostenplaatje. Uit de resultaten van het onderzoek bleek dat de transformatie in België tussen 300 en 400 miljoen euro aan investeringen zal vereisen.

Dit zou een stijging zijn van de energiesysteemkosten van ongeveer 20%, oftewel 2% van het Belgisch bpp in 2050. Deze kosten omvatten enerzijds een stijging van de investerings- en vaste kosten en anderzijds een daling van de variabele kosten. Ten slotte moeten ook de zogenaamde ‘disutility’ kosten in rekening gebracht worden, waarbij gekeken wordt naar het consumptieverlies als gevolg van de dalende vraag naar primaire energie.